ECLI:NL:HR:2020:1034

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2020
Publicatiedatum
10 juni 2020
Zaaknummer
19/01651
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 lid 1 sub c SvArt. 470 SvArt. 141 lid 2 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2013, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel in Arnhem in 2007. De aanvrager stelde dat nieuw aangeleverde analyses, rapporten en handgeschreven verklaringen het bewijs anders wegen en tot vrijspraak zouden moeten leiden.

De Hoge Raad heeft de aanvraag beoordeeld aan de hand van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro, dat vereist dat het nieuwe gegeven niet bekend was bij de rechter en een ernstige vermoeden wekt dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid. De aangevoerde stukken bestonden uit een analyse van onderzoekers, een rapport met camerabeelden, en handgeschreven verklaringen van getuigen en betrokkenen.

De Hoge Raad concludeerde dat deze stukken geen nieuwe feiten bevatten die niet reeds bekend waren bij het hof en dat het verschil in bewijswaardering geen grond voor herziening vormt. De handgeschreven verklaring van een getuige was bovendien tegenstrijdig met eerdere verklaringen en onvoldoende om eerdere belastende verklaringen te weerleggen. De aanvraag werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen.

De uitspraak bevestigt de strikte criteria voor herziening en benadrukt dat een andere interpretatie van bestaand bewijs geen reden is voor heropening van een strafzaak.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens ontbreken van nieuwe feiten die tot vrijspraak hadden kunnen leiden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01651 H
Datum16 juni 2020
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 juni 2013, nummer 21/003587-09, ingediend door J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort,
namens
[aanvrager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem - de aanvrager ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft veroordeeld tot taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.De conclusie van de advocaat-generaal

3.1
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de aanvraag.
3.2
De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd. Bij deze reactie is een aanvullende handgeschreven verklaring van [getuige 2] van 26 maart 2020 gevoegd als bijlage.

4.Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1
Ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat:
“hij op 24 december 2007 te Arnhem, met een ander of anderen, op de openbare weg, de Korenmarkt, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij], welk geweld bestond uit het trekken aan en/of duwen van die [benadeelde partij], ten gevolge waarvan die [benadeelde partij] ten val is gekomen en (vervolgens) die [benadeelde partij] tegen diens hoofd heeft geschopt/getrapt, terwijl het door verdachte daarbij uitgeoefende geweld zwaar lichamelijk letsel (kaakfractuur) ten gevolge heeft gehad.”
4.2
Voor de bewijsvoering verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4.

5.Beoordeling van de aanvraag

5.1.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
5.1.2
De herzieningsaanvraag behelst een beroep op gegevens die - naar wordt gesteld - elk op zichzelf beschouwd en/of bezien in onderling verband het ernstige vermoeden doen rijzen dat waren deze het hof bekend geweest dit zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager. De Hoge Raad begrijpt de aanvraag aldus dat daarin op grond van de volgende bij de aanvraag gevoegde stukken een beroep wordt gedaan op een viertal herzieningsgronden:
I. een analyse met als titel ‘Na het Hockeygala op de Korenmarkt’ van juni 2016, gemaakt door N.F. Malefason en P.J. van Koppen;
II. het rapport van Langendoen Advies van 19 maart 2018 inclusief een usb-stick met camerabeelden;
III. een handgeschreven verklaring van [getuige 2] van 24 oktober 2018;
IV. handgeschreven verklaringen van de aanvrager (11 januari 2019), (zijn vriendin) [betrokkene 3] (14 januari 2019) en (zijn moeder) [betrokkene 4] (16 januari 2019) naar aanleiding van een ontmoeting op 29 mei 2014 tussen de aanvrager en [benadeelde partij].
5.2
Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv. De onder 3.2 bedoelde schriftelijke reactie van de raadsman van de aanvrager en de daarbij gevoegde verklaring van [getuige 2] van 26 maart 2020 maken dit niet anders. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge artikel 470 Sv Pro worden afgewezen.

6.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 juni 2020.