In deze civiele zaak heeft eiser tegen het arrest van het hof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. Het geschil betreft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de vraag of er voldoende samenhang is tussen de vorderingen tegen de verweerders. De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Amsterdam en het hof Amsterdam voor het procesverloop en de feitelijke achtergrond. De conclusie van de Advocaat-Generaal was om het cassatieberoep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad heeft gevolgd. Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de wederpartij behoeft geen behandeling omdat het principale beroep is verworpen.
De Hoge Raad veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten en bevestigt daarmee het arrest van het hof. Dit arrest is gewezen door de vicepresident en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 12 juni 2020.