ECLI:NL:HR:2020:1051

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2020
Publicatiedatum
15 juni 2020
Zaaknummer
18/03306
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 ROArbeidsomstandighedenwetArbeidsomstandighedenbesluit
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in zaak mestsilo-incident

In deze strafzaak gaat het om een incident bij Makkinga waarbij tijdens het schoonmaken van een mestsilo drie personen zijn overleden en één persoon zwaargewond raakte. De zaak betreft een economische strafrechtelijke procedure tegen een verdachte BV en haar feitelijk leidinggever, waarbij de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit centraal staan.

De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, met name de hoogte van de geldboete, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten over de inhoudelijke uitspraak van het hof niet tot vernietiging kunnen leiden en dat motivering niet vereist is vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro. Wel wordt geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde geldboete van €100.000 naar €97.500.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de hoogte van de geldboete, vermindert deze en verwerpt het beroep voor het overige. Het arrest is gewezen door vice-president W.A.M. van Schendel en raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van €100.000 naar €97.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03306 E
Datum16 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, van 20 juni 2018, nummer 21/001637-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde geldboete in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 100.000,-.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 97.500,- bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 juni 2020.