Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
6.Beslissing
30 juni 2020.
Hoge Raad
De verdachte gebruikte op 9 juni 2017 samen met zijn vriendin amfetamine en wodka, wat leidde tot een psychotische stoornis met paranoïde wanen. Tijdens deze toestand pleegde hij meerdere strafbare feiten, waaronder poging tot doodslag, opzettelijke brandstichting en vernieling. Het hof oordeelde dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was, omdat de psychose door het middelengebruik was veroorzaakt, maar dat hij strafrechtelijk verantwoordelijk bleef.
De verdediging voerde aan dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moest worden verklaard omdat hij niet kon voorzien dat het middelengebruik een psychose zou veroorzaken. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat de verdachte de risico’s van het middelengebruik kon voorzien en dat het handelen in verminderde mate aan hem kon worden toegerekend.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden. Ook vernietigde de Hoge Raad ambtshalve het deel van de uitspraak waarin vervangende hechtenis was toegepast als gevolg van niet-betaling van schadevergoedingen, en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en de toepassing van vervangende hechtenis, en stelde de gevangenisstraf vast op vijf jaar en acht maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vijf jaar en acht maanden en de toepassing van vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen is vernietigd.