ECLI:NL:HR:2020:1077

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2020
Publicatiedatum
17 juni 2020
Zaaknummer
19/03524
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227b SrArt. 225.2 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn bij uitkeringsfraudezaak

In deze zaak stond verdachte terecht voor uitkeringsfraude, waarbij hij naliet te melden dat hij niet in loondienst was bij een failliet verklaard bedrijf en valse documenten gebruikte bij de aanvraag van WW-uitkeringen. Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde hem tot een taakstraf van tachtig uren.

De verdediging stelde in cassatie onder meer dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2 Sv Pro had verzuimd gemotiveerd te beslissen over het verweer dat de redelijke termijn was overschreden. Ook werd aangevoerd dat de inzendtermijn in de cassatiefase was overschreden, wat in strijd zou zijn met artikel 6 lid 1 EVRM Pro.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd over de termijnoverschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep. Desondanks besloot de Hoge Raad zelf de zaak af te doen en oordeelde dat gezien de opgelegde taakstraf en de mate van overschrijding geen ander rechtsgevolg aan de termijnoverschrijding verbonden hoefde te worden.

De overige cassatiemiddelen werden ongegrond verklaard zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep in cassatie werd uiteindelijk verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de taakstraf van tachtig uren blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03524
Datum23 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2018, nummer 21/006150-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.A. van Straalen, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het vierde en het vijfde cassatiemiddel

2.1
Het vierde cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep op overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg dat namens de verdachte is gedaan. Het vijfde cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
De cassatiemiddelen zijn terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7.5, 7.6 en 8.1.
2.3
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2020.