Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 juni 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een veroordeling wegens bedreiging, omdat geen schriftuur met grieven was ingediend en verdachte noch zijn raadsman bij de zitting waren verschenen.
Na sluiting van het onderzoek bleek echter dat de raadsman van verdachte op de dag voor de zitting een e-mail had gestuurd aan een medewerker van het ressortsparket met daarin grieven tegen het vonnis en een verzoek om uitstel wegens verhindering. Deze e-mail was door een administratieve fout niet tijdig aan het hof bekendgemaakt.
De advocaat-generaal verzocht het hof om het beroep alsnog ontvankelijk te verklaren, maar het hof zag geen mogelijkheid dit te doen omdat het arrest al was uitgesproken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 416 lid 2 Sv Pro door de niet-ontvankelijkverklaring en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en afdoening op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.