Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
23 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon gepleegde delict van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd. De klachten in cassatie richtten zich op het oordeel van het hof omtrent het opzet op bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers en het feitelijk leiding geven aan de B.V. door de verdachte.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij heeft de Hoge Raad geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de gestelde vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering. Het beroep van de verdachte is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft. Hiermee is de veroordeling voor feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk definitief geworden.
Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen en de veroordeling voor feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk blijft in stand.