ECLI:NL:HR:2020:1132

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2020
Publicatiedatum
24 juni 2020
Zaaknummer
18/03897
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen Aruba 2005

Belanghebbende uit Aruba heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie betreffende de aanslagen inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AZV over het jaar 2005.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevatten, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie.

Een conclusie van repliek van belanghebbende is buiten termijn ingediend en daarom niet in behandeling genomen. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende op te leggen.

Het arrest is op 26 juni 2020 in het openbaar gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard, waarmee het hofarrest in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/03897
Datum26 juni 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Aruba (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN FINANCIËN VAN ARUBA
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 6 juni 2018, nr. AUA2017H00093 op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (nrs. AUA201200013 tot en met AUA201200018) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting, de premies ingevolge de AOV/AWW en de premies ingevolge de AZV.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Aangezien dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.