Uitspraak
gevestigd te Weesp,
gevestigd te Södertälje, Zweden,
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
4.Proceskosten
5.Beslissing
in het incidentele beroep:
26 juni 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of AstraZeneca aanspraak kon maken op schadevergoeding wegens octrooi-inbreuk door Sandoz, die een generieke fulvestrant-formulering in de G-standaard had opgenomen. AstraZeneca stelde dat schade ook kon voortvloeien uit het opnemen van het product in de G-standaard, niet alleen uit het op de markt brengen.
De Hoge Raad oordeelde dat voor toewijzing van schadevergoeding voldoende is dat aannemelijk is dat schade is geleden of zal worden geleden en dat de eisende partij dit moet onderbouwen. AstraZeneca had echter nagelaten concreet te maken waarin haar schade bestond, waardoor het hof terecht oordeelde dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk was gemaakt.
De overige klachten van partijen konden niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad veroordeelde beide partijen in hun proceskosten, waarbij AstraZeneca aanspraak maakte op €70.000 en Sandoz op €20.000. Hiermee werd het arrest van het hof bevestigd en het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Sandoz en het incidenteel cassatieberoep van AstraZeneca worden verworpen; de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.