Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de jaren 2011 en 2012, inclusief heffingsrente, belastingrente en een boetebeschikking. De zaak betrof de aftrek van omzetbelasting met betrekking tot instandhoudingskosten van een onroerende zaak die zowel voor belast als vrijgesteld gebruik geschikt is, in het kader van leegstand.
Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat op 23 mei 2018 uitspraak deed. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad beoordeelde de middelen en oordeelde dat het eerste middel slaagde op basis van een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2020:1045). De overige middelen werden niet inhoudelijk behandeld omdat deze niet relevant waren voor de rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van het arrest. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten en werd belanghebbende het betaalde griffierecht vergoed.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 15 Wet Pro OB omtrent de aftrek van omzetbelasting bij leegstand van onroerende zaken die voor zowel belast als vrijgesteld gebruik geschikt zijn, en benadrukt het belang van een juiste rechtsontwikkeling in belastingzaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.