Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 juni 2018, waarin hij werd veroordeeld voor betrokkenheid bij een ramkraak op een winkel met dure kleding. Het middel van cassatie richtte zich op het vermeende onjuist toepassen van het wetsartikel omtrent samenhang en medeplegen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad heeft het middel niet ontvankelijk verklaard omdat het geen rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Hierdoor is het beroep verworpen zonder nadere inhoudelijke motivering.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, W.A.M. van Schendel, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien. De uitspraak bevestigt het oordeel van het gerechtshof en bekrachtigt de eerdere veroordeling van verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen, waardoor het arrest van het gerechtshof Den Haag in stand blijft.