Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beslissing
7 juli 2020.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure stond de vraag centraal of de rechtbank de juiste maatstaf had toegepast bij de beoordeling van een klaagschrift inzake beslag op geldbedragen die onder een ander waren in beslag genomen op verdenking van hennepteelt.
De rechtbank had het beslag op twee geldbedragen gehandhaafd omdat het niet onwaarschijnlijk werd geacht dat de strafrechter later een geldboete, een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of een schadevergoedingsmaatregel zou opleggen. De Hoge Raad oordeelde dat deze maatstaf onjuist was. De juiste maatstaf vereist dat buiten redelijke twijfel moet worden vastgesteld of de derde als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden aangemerkt en of de uitzonderingen van artikel 94a lid 4 of 5 Sv zich voordoen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden vonnis voor zover het beslag op de geldbedragen betrof en verwees de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland voor een nieuwe beoordeling volgens de juiste maatstaf. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Deze uitspraak bevestigt de noodzaak van een strikte toetsing bij beslaglegging op geldbedragen onder derden en verduidelijkt de toepasselijke rechtsmaatstaf bij klachten ex artikel 552a Sv.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor het beslag op geldbedragen wegens onjuiste maatstaf en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.