ECLI:NL:HR:2020:1169

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
30 juni 2020
Zaaknummer
18/05065
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a SvArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste maatstaf bij beslag op geldbedragen in hennepteeltzaak

In deze cassatieprocedure stond de vraag centraal of de rechtbank de juiste maatstaf had toegepast bij de beoordeling van een klaagschrift inzake beslag op geldbedragen die onder een ander waren in beslag genomen op verdenking van hennepteelt.

De rechtbank had het beslag op twee geldbedragen gehandhaafd omdat het niet onwaarschijnlijk werd geacht dat de strafrechter later een geldboete, een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of een schadevergoedingsmaatregel zou opleggen. De Hoge Raad oordeelde dat deze maatstaf onjuist was. De juiste maatstaf vereist dat buiten redelijke twijfel moet worden vastgesteld of de derde als eigenaar van de inbeslaggenomen voorwerpen moet worden aangemerkt en of de uitzonderingen van artikel 94a lid 4 of 5 Sv zich voordoen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden vonnis voor zover het beslag op de geldbedragen betrof en verwees de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland voor een nieuwe beoordeling volgens de juiste maatstaf. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Deze uitspraak bevestigt de noodzaak van een strikte toetsing bij beslaglegging op geldbedragen onder derden en verduidelijkt de toepasselijke rechtsmaatstaf bij klachten ex artikel 552a Sv.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor het beslag op geldbedragen wegens onjuiste maatstaf en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05065 B
Datum7 juli 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 6 augustus 2018, nummer RK 18/468, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft C.E. van Dijk, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord‑Nederland, locatie Leeuwarden.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
2.2
De rechtbank heeft het namens de klager ingediende klaagschrift ongegrond verklaard, voor zover dat strekt tot opheffing van het beslag op twee geldbedragen die onder een ander in beslag zijn genomen. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“Onder [betrokkene 1] is op 13 maart 2018, op verdenking van hennepteelt onder meer een aantal sieraden en geldbedragen inbeslaggenomen.
Klager stelt eigenaar te zijn van een aantal van deze sieraden en een inbeslaggenomen geldbedrag van euro 22.000,00 en een geldbedrag van euro 5.450,00.
(...)
Voor wat betreft de inbeslaggenomen geldbedragen is de rechtbank van oordeel dat het hierop rustende conservatoire beslag gehandhaafd dient te blijven en dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave op dit moment. Niet onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de strafrechter die later over de zaak ten gronde oordeelt een geldboete, een betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een schadevergoedingsmaatregel ex. art. 36f Sr. zal opleggen.
Beslissing
De rechtbank verklaart voormeld klaagschrift ongegrond voor zover dit de inbeslaggenomen geldbedragen betreft,
verklaart het klaagschrift voor zover dit de in het klaagschrift genoemde goederen onder 3 tot en met 21 betreft gegrond en beveelt de teruggave daarvan voor zover deze daadwerkelijk in beslag zijn genomen en nog niet aan klager zijn teruggegeven.”
2.3
Artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.
5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.
6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”
2.4
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin op de voet van artikel 94a Sv beslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk moet geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a lid 4 of 5 Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverweging 2.15).
2.5
Door met betrekking tot de inbeslaggenomen geldbedragen als maatstaf aan te leggen dat “niet onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de strafrechter die later over de zaak ten gronde oordeelt een geldboete, een betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een schadevergoedingsmaatregel ex. art. 36f Sr zal opleggen”, heeft de rechtbank een andere dan de toepasselijke - en dus een onjuiste - maatstaf aangelegd. De beschikking kan daarom in zoverre niet in stand blijven.
2.6
Het cassatiemiddel is gegrond. Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste cassatiemiddel niet nodig.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover het klaagschrift daarbij ongegrond is verklaard;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in dat opzicht opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2020.