ECLI:NL:HR:2020:1186

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2020
Publicatiedatum
1 juli 2020
Zaaknummer
20/00436
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en constateerde dat het beroepschrift pas op 10 februari 2020 bij de griffie van de Hoge Raad was ontvangen, terwijl de termijn van zes weken na verzending van de uitspraak op 5 november 2019 was geëindigd.

De Hoge Raad heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift tijdig was verzonden of een reden te geven voor de overschrijding. De door belanghebbende aangevoerde gronden boden echter geen rechtvaardiging voor de overschrijding van de beroepstermijn.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 3 juli 2020 door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/00436
Datum3 juli 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 september 2019, nr. BRE 18/4254, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 19 november 2018.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) heeft op de uitspraak op verzet van de Rechtbank van 13 september 2019 aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 24 september 2019.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 10 februari 2020 bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 5 november 2019.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 6 maart 2020 in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, of mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 6 maart 2020 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2020.