Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over mensenhandel. Verdachte had gedurende ongeveer anderhalve week een zeventienjarige prostituee in zijn woning gehuisvest, terwijl hij wist dat zij seksuele handelingen tegen betaling verrichtte en minderjarig was.
Het hof stelde vast dat verdachte afspraken had gemaakt over de toegang van klanten en dat hij ondanks zijn kennis van de situatie de minderjarige bleef huisvesten, waardoor de uitbuiting voortduurde. Verdachte voerde in cassatie aan dat niet bewezen was dat het huisvesten met het oogmerk van uitbuiting was, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof dit terecht had vastgesteld op basis van de omstandigheden en bewijsvoering.
De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie dat het begrip uitbuiting niet in algemene termen kan worden gedefinieerd, maar afhankelijk is van de feiten en omstandigheden. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor mensenhandel wegens huisvesten minderjarige prostituee met oogmerk van uitbuiting.