AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij Peeters/Gatzen-vordering in insolventierecht
In deze zaak vordert de curator betaling van €550.000 van Fortis wegens onrechtmatig handelen door medewerking aan contante opnames van een zichtrekening in België, waardoor gezamenlijke schuldeisers schade leden. De rechtbank en het hof verklaarden zich bevoegd en pasten de Insolventieverordening toe, maar het hof stelde tussentijds cassatieberoep open vanwege discussie over internationale bevoegdheid en toepasselijk recht.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten van het HvJEU en stelt vast dat de vordering van de curator een Peeters/Gatzen-vordering is, die onder de Insolventieverordening valt. De Hoge Raad onderzoekt of de Nederlandse rechter op grond van Verordening Brussel I bevoegd is, waarbij het begrip 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' (Erfolgsort) centraal staat.
De Hoge Raad concludeert dat het 'Erfolgsort' in België ligt, omdat de schade aanvankelijk in België is ingetreden bij de opname van contant geld. Het feit dat de schuldeisers in Nederland financiële schade leden is een gevolg van die aanvankelijke schade en leidt niet tot internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Daarom vernietigt de Hoge Raad eerdere uitspraken en bepaalt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is de vordering te behandelen.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de Nederlandse rechter niet internationaal bevoegd is om van de vordering van de curator kennis te nemen.
Voetnoten
1.Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, PbEG 2000, L 160/1 (inmiddels ingetrokken en vervangen door Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking), PbEU 2015, L 141/19).
2.Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.
3.Zie onder meer HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), punt 25-28.
4.HvJEU 19 september 1995, zaak C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289 (Marinari/Lloyd’s Bank).
5.HvJEU 10 juni 2004, zaak C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364 (Kronhofer/Maier).
6.HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank), punt 55.
7.HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), punt 37-40. Zie ook HvJEU 12 september 2018, zaak C-304/17, ECLI:EU:C:2018:701 (Löber/Barclays Bank), punt 29.