Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juli 2020.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure stond centraal of een verweerder na het einde van het faillissement van een eiser nog een beroep kan doen op niet-ontvankelijkheid van die eiser in diens vorderingen, op grond van de faillissementswet. Eiser was in 2008 failliet verklaard en het faillissement eindigde in februari 2014. Hij stelde in december 2013, tijdens het faillissement, een vordering in tegen verweerder.
Het hof verklaarde eiser niet-ontvankelijk omdat hij op het moment van dagvaarding nog in staat van faillissement verkeerde, en volgens art. 23 en Pro 25 Fw alleen de curator bevoegd is om rechtsvorderingen te starten over boedelrechten. Verweerder beriep zich op deze niet-ontvankelijkheid, terwijl het faillissement inmiddels was beëindigd.
De Hoge Raad oordeelde dat hoewel de faillietverklaring de beschikking over het vermogen aan de curator geeft, de gefailleerde niet de bevoegdheid verliest om in rechte op te treden. Een beroep op niet-ontvankelijkheid kan slechts worden gedaan zolang het faillissement voortduurt. Na het einde van het faillissement herwint de schuldenaar zijn bevoegdheid. Het hof had het beroep van verweerder ten onrechte gehonoreerd en het arrest vernietigd. De zaak is verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het beroep op niet-ontvankelijkheid van eiser wegens faillissement kon na het einde van het faillissement niet meer worden gedaan; arrest van het hof werd vernietigd en zaak verwezen.