ECLI:NL:HR:2020:1269

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
9 juli 2020
Zaaknummer
15/05977 bis
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 Vo. (EG) 1484/95Art. 3 lid 5 Vo. (EG) 1484/95Art. 4 Vo. (EG) 1484/95Art. 29-31 Vo. (EEG) 2913/92Art. 141 lid 3 integrale GMO-verordening (EG) 1234/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over aanvullende invoerrechten pluimveevlees en verwijst terug

De zaak betreft een geschil over 705 aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van pluimveevlees, waarbij de doorverkoopprijzen lager waren dan de representatieve prijzen. Het Hof Amsterdam concludeerde dat belanghebbende de juistheid van de cif-invoerprijzen niet had bewezen en legde aanvullende rechten op.

De Hoge Raad verwijst naar een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie EU, waarin is geoordeeld dat het enkel verkopen met verlies niet voldoende is om de juistheid van de cif-invoerprijs te verwerpen, mits de importeur kan aantonen dat de prijs juist is op basis van de voorwaarden van de zending.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof Amsterdam een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door de representatieve prijs als basis te nemen voor aanvullende rechten zonder eerst de douanewaarde volgens het communautair douanewetboek vast te stellen. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor volledige herbeoordeling.

De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep en moet het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. De verwijzingsrechter zal ook beoordelen of belanghebbende kostenvergoeding toekomt voor eerdere procedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer15/05977bis
Datum10 juli 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 november 2015, nrs. 14/00065 en 14/00066, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 23 februari 2018, nr. 15/05977, ECLI:NL:HR:2018:265, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 11 maart 2020, X B.V., C-160/18, ECLI:EU:C:2020:190 (hierna: het arrest van het Hof van Justitie), heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“1) Artikel 3, lid 4, van verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van verordening nr. 163/67/EEG, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 248/2010 van de Commissie van 24 maart 2010, moet aldus worden uitgelegd dat de enkele omstandigheid dat in de Unie ingevoerde goederen met verlies zijn verkocht, namelijk tegen een lagere prijs dan de in de douaneaangifte vermelde cif–invoerprijs, niet volstaat om vast te stellen dat de cif–invoerprijs niet juist is gebleken, wanneer de importeur bewijst dat uit het geheel van voorwaarden waaronder deze goederenzending is afgehandeld, blijkt dat deze prijs juist is.
2) Artikel 3, lid 5, en artikel 4 van Pro verordening nr. 1484/95, zoals gewijzigd bij verordening nr. 248/2010, moeten aldus worden uitgelegd dat, ingeval de importeur niet heeft kunnen bewijzen dat de in de douaneaangifte vermelde cif–invoerprijs juist is, de douaneautoriteiten deze prijs bij de heffing van aanvullende rechten buiten beschouwing moeten laten en gebruik moeten maken van de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen die zijn neergelegd in de artikelen 29 tot en met 31 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.

2.Nadere beoordeling van de middelen

2.1.1
Het geschil in deze zaak gaat over 705 aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van pluimveevlees waarvan de doorverkoopprijzen van belanghebbende op de communautaire markt lager waren dan de geldende representatieve prijzen. Het Hof heeft aan die lagere doorverkoopprijzen de conclusie verbonden dat belanghebbende het pluimveevlees tegen zodanige condities heeft afgezet dat zij niet in overeenstemming met artikel 3, lid 4, van Vo. (EG) 1484/95 heeft bewezen dat de door haar in de douaneaangiften opgegeven cif-invoerprijzen juist zijn. Op die grond is belanghebbende naar het oordeel van het Hof aanvullende rechten verschuldigd. In het midden kan blijven, zo oordeelde het Hof, of die cif-invoerprijzen op juiste wijze zijn berekend.
2.1.2
Het Hof heeft verder geoordeeld dat de Inspecteur een juiste methode heeft gehanteerd voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde aanvullende rechten, door artikel 4 van Pro Vo. (EG) 1484/95 overeenkomstig toe te passen en de verschuldigde aanvullende rechten te berekenen op basis van het verschil tussen de reactieprijs en de in artikel 141, lid 3, van de integrale-GMO-verordening in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, van Vo. (EG) 1484/95 bedoelde, periodiek bepaalde representatieve prijs.
2.2.1
De hiervoor in 2.1.1 weergegeven oordelen van het Hof geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De enkele omstandigheid dat belanghebbende het door haar in de Unie ingevoerde pluimveevlees heeft doorverkocht tegen een prijs die lager is dan de representatieve prijs, brengt niet mee dat de in de douaneaangiften vermelde cif-invoerprijs niet overeenkomt met de werkelijke prijs.
2.2.2
Voor het geval de in de douaneaangiften opgegeven cif-invoerprijzen niet juist zijn en daarom voor de heffing van aanvullende rechten buiten beschouwing moeten worden gelaten, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie dat de verschuldigde aanvullende rechten niet mogen worden berekend op basis van de representatieve prijs van pluimveevlees in de betrokken periode, maar dat de cif-invoerprijzen van het door belanghebbende ingevoerde pluimveevlees opnieuw moeten worden vastgesteld volgens de in het Communautair douanewetboek neergelegde regeling inzake de douanewaarde van goederen. Ook het hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 is overwogen, slagen de middelen 1 tot en met 5 in zoverre.
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De middelen 1 tot en met 5 voor het overige en middel 6 behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek van de zaak in volle omvang.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 497, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 4.463 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2020.