Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen en het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid vuurwapens, munitie en drugs in een auto op Curaçao.
De verdachte stelde onder meer niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en bewijsuitsluiting aan de orde, omdat het optreden van de politie volgens hem geen grondslag zou vinden in artikel 13d van de Vuurwapenverordening 1930. Ook werd geklaagd over het opzet ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens en munitie in de auto. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het hofvonnis en hoefde dit niet nader te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar naar vier jaar en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofvonnis uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.