Uitspraak
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
17 juli 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de aflegging van rekening en verantwoording door een vereffenaar van een nalatenschap. De vereffenaar was benoemd door de rechtbank Oost-Brabant en legde in maart 2017 een slotuitdelingslijst en rekening af. Verweerders, erfgenamen, maakten verzet tegen deze rekening en verantwoording.
De kantonrechter oordeelde in een eindbeschikking dat het verzoek van verweerders niet op grond van artikel 4:218 lid 3 BW Pro (beschikking op verzet) maar op grond van artikel 1:374 lid 2 BW Pro moest worden beoordeeld, waarbij hoger beroep openstaat en niet cassatie. De vereffenaar stelde daarop cassatieberoep in tegen deze beschikking.
De Hoge Raad onderzocht ambtshalve de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en concludeerde dat de beschikking niet vatbaar is voor cassatieberoep, maar voor hoger beroep. Daarom verklaarde de Hoge Raad de vereffenaar niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep. Tevens werd de vereffenaar veroordeeld in de proceskosten van de tegenpartij.
Uitkomst: De vereffenaar is niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de beschikking over de rekening en verantwoording van de nalatenschap.