Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 juli 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van een vermeend gebrek in de bevoegdheid van de burgemeester die de oorspronkelijke crisismaatregel had genomen.
De burgemeester van Rotterdam nam op 26 januari 2020 een crisismaatregel ten aanzien van betrokkene, die zich op dat moment in Capelle aan den IJssel bevond. De officier van justitie verzocht vervolgens de rechtbank om machtiging tot voortzetting van deze maatregel. Betrokkene voerde aan dat de burgemeester niet bevoegd was, omdat betrokkene zich buiten Rotterdam bevond, en dat dit gebrek tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moest leiden.
De rechtbank verwierp dit verweer, stellende dat het overbrengen van betrokkene naar Capelle aan den IJssel onderdeel was van de bevoegdheid van de burgemeester van Rotterdam. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat bij de beoordeling van een verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel niet de rechtmatigheid van de oorspronkelijke maatregel wordt getoetst, maar alleen die van de voortzetting. De bevoegdheid van de burgemeester tot het nemen van de oorspronkelijke maatregel is daarvoor niet relevant.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel.