Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
28 januari 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon met de Rwandese nationaliteit aan Rwanda wegens verdenking van betrokkenheid bij de genocide in 1994. De rechtbank Den Haag had eerder het uitleveringsverzoek toegewezen. De opgeëiste persoon stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad heeft de klachten van de opgeëiste persoon beoordeeld, waaronder de vraag of het Genocideverdrag een verdragsgrondslag biedt voor uitlevering van misdrijven tegen de menselijkheid en de stelling dat uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het vonnis konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen over de eenheid of ontwikkeling van het recht te beantwoorden.
Uiteindelijk verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigt daarmee de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Rwanda. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en is uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Rwanda.