ECLI:NL:HR:2020:1336

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 augustus 2020
Publicatiedatum
26 augustus 2020
Zaaknummer
19/04734
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Belanghebbende, een B.V., had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende informatiebeschikkingen van de Staatssecretaris van Financiën. Het beroepschrift voldeed echter niet aan de vereiste van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat het de gronden van het beroep miste.

De griffier van de Hoge Raad gaf belanghebbende de mogelijkheid om dit verzuim binnen zes weken te herstellen, maar de reactie van belanghebbende bevatte niet de benodigde gronden binnen de gestelde termijn. Een latere indiening van de gronden werd buiten beschouwing gelaten omdat deze na afloop van de termijn was ingediend.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2020.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/04734
Datum28 augustus 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019, nrs. 17/00062 tot en met 17/00065, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. 15/3294 tot en met 15/3297) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikkingen.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 28 oktober 2019 in de gelegenheid gesteld dat verzuim binnen zes weken na dagtekening van deze brief te herstellen. Die termijn eindigde op 9 december 2019. Deze brief van de griffier is aangetekend verzonden en is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief die op 9 december 2019 per fax is ontvangen, maar zonder het verzuim te herstellen; het faxbericht bevat niet de gronden van het beroep. De brief van 9 december 2019 is op 10 december 2019 per aangetekende post ontvangen, met als bijlage daarbij de gronden van het beroep. Aangezien dit laatste geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, laat de Hoge Raad dit stuk buiten beschouwing.
Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van het bepaalde in artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2020.