Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf dat in opdracht van de gemeente Nuenen op ondeskundige wijze een stortlichaam met asbest heeft ontgraven en geruimd. Hierdoor zijn onnodig asbestvezels in de lucht gebracht, wat volgens het hof een te duchten gevaar voor de openbare gezondheid opleverde.
De verdediging voerde aan dat het gevaar niet bewezen kon worden omdat de concentratie asbestvezels niet boven de wettelijke grenswaarde van 10.000 vezels per kubieke meter zou zijn geweest. Het hof oordeelde echter dat het te duchten gevaar ook kan bestaan zonder dat de grenswaarde is overschreden, mede gelet op de cumulatie van vezels en de wijze waarop de werkzaamheden werden uitgevoerd.
De Hoge Raad bevestigt dat het delict van artikel 173b Sr niet beperkt is tot situaties waarin de grenswaarde is overschreden, maar ook geldt bij een reële kans op gevaar. Het hof heeft dit oordeel voldoende gemotiveerd en het cassatiemiddel faalt. Wel oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor de opgelegde geldboete wordt verminderd van €100.000 naar €97.500, waarvan €50.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd tot €97.500, waarvan €50.000 voorwaardelijk, terwijl het overige beroep wordt verworpen.