Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
15 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant over een klaagschrift inzake beslag op documenten en gegevensdragers in het kader van een verdenking van overtreding van artikel 32 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, naar aanleiding van een arbeidsongeval met dodelijke afloop.
De klagers, bestaande uit twee rechtspersonen en een natuurlijke persoon, voerden onder meer een beroep op het verschoningsrecht en stelden dat de gewone raadkamer niet bevoegd was omdat het om een economisch delict ging. Volgens artikel 1.1 van de Wet Economische Delicten (WED) vallen overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet onder economische delicten.
De Hoge Raad oordeelt dat de economische raadkamer bevoegd had moeten zijn om kennis te nemen van het klaagschrift. De rechtbank Oost-Brabant heeft dit niet gedaan, wat een onbevoegdheid inhoudt. Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking voor zover het oordeel van de Hoge Raad betreft en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling door de economische raadkamer.
De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing. Het beroep was niet gericht tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift, waardoor die beslissing ongewijzigd blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onbevoegdheid van de gewone raadkamer en wijst de zaak terug naar de economische raadkamer.