ECLI:NL:HR:2020:1446
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2011
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2019, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en heffingsrente over het jaar 2011 heeft behandeld.
Na ontvangst van het cassatieberoep en aanvullende middelen heeft de Hoge Raad deze middelen beoordeeld. De aanvullende middelen die na het verstrijken van de cassatietermijn waren ingediend, zijn niet in behandeling genomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de middelen niet leiden tot vernietiging van het hofarrest en heeft geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is op 18 september 2020 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.