Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beslissing
22 september 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van diefstal met geweld, zoals bedoeld in artikel 312 lid 2 sub Pro 2 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de cassatieprocedure werd een van de twee cassatiemiddelen ingetrokken nadat het verzuim dat daaraan ten grondslag lag was hersteld.
Het tweede cassatiemiddel klaagde terecht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. De Hoge Raad oordeelde dat deze overschrijding een vermindering van de opgelegde taakstraf rechtvaardigt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat van de taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis. De taakstraf werd verminderd van 180 naar 162 uren en de vervangende hechtenis van 90 naar 81 dagen. Voor het overige werd het beroep verworpen. Dit arrest bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn in cassatie kan leiden tot strafvermindering, tenzij de verdachte door eigen proceshouding langer dan redelijk onder dreiging van strafvervolging heeft moeten leven.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.