Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
22 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie. Het cassatieberoep werd ingesteld door verdachte, vertegenwoordigd door advocaten uit Amsterdam.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de strafoplegging, waarbij een vermindering van de gevangenisstraf werd voorgesteld. De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen: de eerste werd verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro RO.
Het tweede cassatiemiddel betrof een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege te late verzending van stukken door het hof en de lange duur van de cassatieprocedure. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en besloot de opgelegde gevangenisstraf met tien maanden te verminderen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en stelde de straf vast op negen maanden gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 22 september 2020.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.