Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
22 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie op grond van artikel 140 Sr Pro.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen in, waaronder klachten over de uitleg van het bestanddeel 'deelnemen' en over het samenwerkingsverband. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden en de Hoge Raad zelf meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.
Dit leidde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig naar achttien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van twintig naar achttien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.