Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM) in een vervolging wegens sociale zekerheidsfraude werd betwist. De verdachte werd vervolgd voor het opzettelijk niet tijdig verstrekken van gegevens en het gebruik van een valse identiteit in het kader van de Wet Werk en Bijstand en de Participatiewet.
De verdediging voerde aan dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het benadelingsbedrag, dat ten grondslag lag aan de vervolging, in een latere administratieve procedure op nul was vastgesteld. Volgens de verdediging handelde het OM daarmee in strijd met de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude, die bepaalt dat bij een benadelingsbedrag onder de € 50.000 in beginsel niet strafrechtelijk wordt opgetreden.
De rechtbank en het hof verwierpen dit verweer, stellende dat ten tijde van de vervolgingsbeslissing het benadelingsbedrag boven de € 50.000 lag en dat het OM op grond van de toen bekende gegevens bevoegd was tot vervolging. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid moet worden uitgegaan van de gegevens die ten tijde van de vervolgingsbeslissing aan het OM bekend waren. Het latere administratieve besluit dat het benadelingsbedrag op nul stelde, doet hieraan niet af. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het OM ontvankelijk was in de vervolging ondanks het later vastgestelde nihil benadelingsbedrag.