ECLI:NL:HR:2020:1539

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2020
Publicatiedatum
1 oktober 2020
Zaaknummer
19/02471
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake geschil over dividenduitkering en managementvergoedingen

In deze zaak stond een geschil centraal tussen curatoren, vennootschappen en bestuurders over de rechtsgeldigheid van dividenduitkeringen en managementvergoedingen in faillissementen van drie besloten vennootschappen. De curatoren en een vennootschap waren eisers in cassatie tegen meerdere verweerders, waaronder vennootschappen en natuurlijke personen.

Het geschil was reeds behandeld door de rechtbank Midden-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij het hof een arrest had gewezen dat door de curatoren en de vennootschap werd bestreden in cassatie. De curatoren trokken hun cassatieberoep later in, terwijl de overige verweerders verstek lieten gaan.

De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad volgde dit advies en wees het cassatieberoep af zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de juridische vragen niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht. Tevens werden de kosten van het cassatiegeding aan de zijde van de verweerders begroot op nihil.

Het arrest werd uitgesproken door de vicepresident als voorzitter en vier raadsheren, in aanwezigheid van de raadsheer die het arrest in het openbaar uitsprak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/02471
Datum2 oktober 2020
ARREST
In de zaak van
1. Adrianus Gerardus MOEIJES,
wonende te Velsen-Zuid, gemeente Velsen,
2. Christian Haije HARTSUIKER,
wonende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
beiden in hoedanigheid van curatoren in de faillissementen van de besloten vennootschappen [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V.,
3. [eiseres 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
EISERS tot cassatie,
hierna: de curatoren en [eiseres 3] ,
advocaat: B.I. Kraaipoel,
tegen
1. [verweerster 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [verweerster 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna gezamenlijk: [verweerders 1, 2 en 3] ,
4. [verweerster 4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5. [verweerder 5] ,
wonende te [woonplaats] ,
6. [verweerster 6] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
7. [verweerder 7] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna gezamenlijk: [verweerders 4, 5, 6 en 7] ,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/16/353565/HA ZA 13-738 van de rechtbank Midden-Nederland van 13 januari 2016;
het arrest in de zaken 200.199.878 en 200.200.121 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2019.
De curatoren en [eiseres 3] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerders 1, 2 en 3] en [verweerders 4, 5, 6 en 7] is verstek verleend.
De curatoren hebben hun cassatieberoep ingetrokken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiseres 3] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders 1, 2 en 3] en [verweerders 4, 5, 6 en 7] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
2 oktober 2020.