Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 22 oktober 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:1070).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
Hoge Raad
Belanghebbende had een beroep ingediend tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en dit beroep ingetrokken nadat de heffingsambtenaar aan zijn bezwaren tegemoet was gekomen. Belanghebbende verzocht vervolgens om vergoeding van de kosten van het taxatierapport dat in het beroep was overgelegd.
De Rechtbank Amsterdam kende een vergoeding toe op basis van een richtlijn van de belastingkamers, maar zonder omzetbelasting. In verzet werd dit oordeel gehandhaafd met de overweging dat partijen onderling de vergoeding van omzetbelasting moesten regelen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omzetbelasting. Indien de belanghebbende onweerlegbaar stelt dat hij de omzetbelasting niet als voorbelasting kan aftrekken, moet de vergoeding van de taxatiekosten worden verhoogd met de omzetbelasting.
De uitspraak van de rechtbank op verzet wordt vernietigd en het verzet wordt gegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van de proceskosten inclusief de omzetbelasting over het taxatierapport en griffierechten.
De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van volledige vergoeding van proceskosten inclusief omzetbelasting indien deze niet als voorbelasting kan worden afgetrokken door de belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de vergoeding van taxatiekosten inclusief omzetbelasting moet worden toegekend indien de belanghebbende deze niet kan aftrekken.