ECLI:NL:HR:2020:168

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2020
Publicatiedatum
30 januari 2020
Zaaknummer
19/01459
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad beslist over vergoeding proceskosten en omzetbelasting bij WOZ-taxatierapport

Belanghebbende had een beroep ingediend tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en dit beroep ingetrokken nadat de heffingsambtenaar aan zijn bezwaren tegemoet was gekomen. Belanghebbende verzocht vervolgens om vergoeding van de kosten van het taxatierapport dat in het beroep was overgelegd.

De Rechtbank Amsterdam kende een vergoeding toe op basis van een richtlijn van de belastingkamers, maar zonder omzetbelasting. In verzet werd dit oordeel gehandhaafd met de overweging dat partijen onderling de vergoeding van omzetbelasting moesten regelen.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omzetbelasting. Indien de belanghebbende onweerlegbaar stelt dat hij de omzetbelasting niet als voorbelasting kan aftrekken, moet de vergoeding van de taxatiekosten worden verhoogd met de omzetbelasting.

De uitspraak van de rechtbank op verzet wordt vernietigd en het verzet wordt gegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van de proceskosten inclusief de omzetbelasting over het taxatierapport en griffierechten.

De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van volledige vergoeding van proceskosten inclusief omzetbelasting indien deze niet als voorbelasting kan worden afgetrokken door de belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de vergoeding van taxatiekosten inclusief omzetbelasting moet worden toegekend indien de belanghebbende deze niet kan aftrekken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/01459
Datum31 januari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 7 februari 2019, nr. AMS 18/2283, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 8 november 2018 betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om veroordeling in de proceskosten. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 22 oktober 2019 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:1070).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de klacht

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft zijn beroep bij de Rechtbank betreffende een beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken ingetrokken nadat de heffingsambtenaar aan zijn bezwaren was tegemoetgekomen. Bij die intrekking heeft hij onder meer verzocht om vergoeding van de kosten van een in beroep overgelegd taxatierapport.
2.1.2
De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende. Daarbij is voor het taxatierapport, met toepassing van de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (hierna: de Richtlijn) [1] , een kostenvergoeding toegekend van € 106 (2 uur niet-inpandige taxatie maal € 53).
2.1.3
De in de Richtlijn vermelde bedragen zijn exclusief omzetbelasting. In de Richtlijn staat dat die bedragen worden verhoogd met omzetbelasting indien de belanghebbende de voor een taxatie in rekening gebrachte omzetbelasting niet als voorbelasting in aftrek kan brengen. In het bedrag van € 106 is geen omzetbelasting begrepen.
2.2.1
In verzet is de uitspraak van de Rechtbank gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat het aan partijen onderling is om de vergoeding van omzetbelasting te regelen.
2.2.2
De tegen dit oordeel gerichte klacht slaagt. Indien de rechter gebruik maakt van de hem in artikel 8:75a Awb gegeven bevoegdheid tot veroordeling van een partij in de proceskosten, brengt de Richtlijn mee dat de vergoeding van taxatiekosten met omzetbelasting wordt verhoogd indien daarom is verzocht en de rechter, zo nodig na onderzoek, kan vaststellen dat de belanghebbende de omzetbelasting niet als voorbelasting in aftrek kan brengen. Aangezien belanghebbende in verzet onweersproken heeft gesteld dat hij de voorbelasting niet in aftrek kan brengen, had de Rechtbank de te vergoeden kosten van het taxatierapport behoren te verhogen met omzetbelasting.
2.2.3
De uitspraak op verzet en de uitspraak van de Rechtbank van 8 november 2018 kunnen niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De te vergoeden kosten van het taxatierapport moeten worden verhoogd met omzetbelasting.

3.Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het verzet, waaronder de kosten van het taxatierapport tot een bedrag van € 128,26 (inclusief omzetbelasting).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op verzet,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 8 november 2018 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128,
- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 46,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.969 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van het bezwaar, beroep en verzet aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.093 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020.

Voetnoten

1.Stcr. 2018-28796.