Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
27 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 11 december 2016 op Schiphol taxidiensten aanbood in een gebied waar de burgemeester een verbod had ingesteld op het aanbieden van taxidiensten met vergunning. Het hof oordeelde dat dit handelen strafbaar was op grond van artikel 5:14E lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Haarlemmermeer 2016 en veroordeelde de verdachte.
De Hoge Raad beoordeelde echter dat artikel 5:14E lid 1 APV Haarlemmermeer 2016 weliswaar de burgemeester bevoegdheid geeft om gebieden aan te wijzen waar het verboden is om taxidiensten met vergunning aan te bieden, maar dat deze bepaling zelf geen strafbepaling bevat. De strafbepaling in artikel 6:1 APV Pro is niet van toepassing omdat het verbod niet als zodanig in die bepaling is opgenomen. Ook andere strafbepalingen zijn niet van toepassing op het bewezenverklaarde.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde strafbaar was. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de strafbaarheid en strafoplegging betreft en ontsloeg de verdachte van alle rechtsvervolging. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontbreken van strafbaarheid van het bewezenverklaarde.