Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
27 oktober 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond het cassatieberoep van verdachte centraal tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 mei 2019. Het hof had verdachte veroordeeld voor schuldwitwassen van grote geldbedragen en de verbeurdverklaring van een woning die toebehoorde aan verdachte en zijn echtgenoot.
De advocaat van verdachte diende meerdere cassatiemiddelen in, waaronder een bewijsklacht met betrekking tot het gewoontewitwassen en een betwisting van de verbeurdverklaring van de woning. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet konden leiden tot vernietiging van het hofarrest. Volgens artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie was het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarom heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd. Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor schuldwitwassen en de verbeurdverklaring van de woning.