ECLI:NL:HR:2020:1703
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatiebeslissing inzake belastingheffing personenauto’s en motorrijwielen
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 juni 2019, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een belastingaanslag op personenauto’s en motorrijwielen heeft behandeld.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven, aangezien de vragen niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Den Haag in stand.
Het arrest is uitgesproken door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, met raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, op 30 oktober 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Den Haag blijft in stand.