Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
3 november 2020.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure richtte het beroep zich op twee middelen: een bewijsklacht over de pleegplaats en de omzetting van vervangende hechtenis in gijzeling bij een schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad verwierp de bewijsklacht zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang was voor de rechtseenheid.
Het tweede middel betrof de toepassing van vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof had de verdachte verplicht een bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer, waarbij bij niet-betaling vervangende hechtenis werd opgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat deze vervangende hechtenis onjuist was toegepast en vernietigde het arrest voor zover deze maatregel werd toegepast.
De Hoge Raad bepaalde dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Het overige beroep werd verworpen. Hiermee wordt een belangrijke verduidelijking gegeven over de toepassing van gijzeling bij niet-nakoming van schadevergoedingsmaatregelen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast en gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.