ECLI:NL:HR:2020:1773
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake belastingrechtelijke geschillen. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld.
Ondanks de ontvangstbevestiging van deze brief is het griffierecht niet voldaan. Een tweede aangetekende brief gaf belanghebbende de gelegenheid om een reden voor het niet betalen te geven, maar de aangevoerde argumenten waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 13 november 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.