AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging arrest hof over bescherming verkrijger tweedehands auto van beschikkingsonbevoegde
In deze zaak stond centraal de vraag of een verkrijger van een tweedehands auto die afkomstig was van een beschikkingsonbevoegde, bescherming toekomt op grond van goede trouw volgens artikel 3:86 lid 1 BWPro. De eiser stelde dat het hof onjuist had geoordeeld, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het arrest van het hof niet tot vernietiging konden leiden.
De procedure betrof een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland en het arrest van het hof voor het feitelijke verloop van de procedure. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de Hoge Raad volgde.
De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de beoordeling van de klachten geen vragen opriep die relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 ROPro. Het beroep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding, welke nihil werden begroot aan de zijde van de verweerders.
Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Lock en ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Kroeze op 13 november 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/02372
Datum13 november 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats], Duitsland,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J. de Jong van Lier,
tegen
1. V.O.F. [verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [verweerder 2], wonende te [vestigingsplaats],
3. [verweerster 3] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/18/151950/HA ZA 14/305 van de rechtbank Noord-Nederland van 20 mei 2015 en 18 mei 2016;
het arrest in de zaak 200.197.644/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 13 november 2020.