Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft het openbaar ministerie cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin een klaagschrift van een klager werd toegewezen met betrekking tot de teruggave van dertien inbeslaggenomen gegevensdragers.
De rechtbank had geoordeeld dat het belang van de klager bij teruggave na een half jaar zwaarder woog dan het belang van de strafvordering, zonder nadere motivering. De Hoge Raad stelt dat deze motivering ontbreekt en dat de wet geen mogelijkheid kent voor een voorwaardelijke teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen.
De Hoge Raad benadrukt dat indien het belang van de strafvordering zich nog verzet tegen teruggave, het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, en anders teruggave moet worden gelast. Ook wijst de Hoge Raad erop dat teruggave aan een klager niet kan worden gelast indien in een andere zaak een last tot teruggave aan een andere klager is gegeven.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de beschikking dat de teruggave van de dertien gegevensdragers gelast en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over teruggave van dertien gegevensdragers en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling.