Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
24 november 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot (gekwalificeerde) diefstal en poging tot oplichting. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in, dat werd verworpen door de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat de strafoplegging niet tot vernietiging van het hofarrest leidde, behalve wat betreft de strafduur.
De verdachte verbleef in voorlopige hechtenis en het cassatieberoep werd pas na meer dan zestien maanden behandeld, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde deze vast op vier jaar en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd recht gedaan aan het verbazingscriterium en de redelijke termijn waarborgen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.