ECLI:NL:HR:2020:1880
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake verrekening naheffingsaanslag BPM
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 oktober 2019, waarin het verzet tegen een beschikking van de Ontvanger tot verrekening van een uit te betalen bedrag met een te innen bedrag uit hoofde van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) en een verschuldigd bedrag aan invorderingsrente werd afgewezen.
De Hoge Raad heeft de door belanghebbende voorgestelde middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank blijft in stand.