Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de deelneming aan een organisatie met als oogmerk het plegen van BTW-fraude centraal. De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwierp de meeste cassatiemiddelen, waaronder het Salduz-verweer, het verweer omtrent de rechtmatigheid van het onderzoek aan gegevensdragers en het verweer dat de belastingrechter reeds had geoordeeld dat de verdachte te goeder trouw had gehandeld. Deze verweren konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden naar zeven maanden en een week.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 4 februari 2020.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van acht maanden naar zeven maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn.