Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
(Kamerstukken I 2011/12, 32420, D, p. 5-7, 12)
4.Beslissing
1 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd vervolgd wegens verblijf in Nederland terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd. De Hoge Raad onderzocht of art. 197 Sr Pro strafvervolging mogelijk maakt tegen een illegale vreemdeling die het EU-grondgebied nog niet heeft verlaten ondanks het inreisverbod.
De Hoge Raad bevestigt dat art. 197 Sr Pro ziet op illegaal verblijf ondanks het uitgevaardigde inreisverbod en niet slechts op schending daarvan. Dit betekent dat strafrechtelijke aansprakelijkheid niet vereist dat de vreemdeling het EU-grondgebied heeft verlaten en het inreisverbod daadwerkelijk heeft geschonden. Deze uitleg sluit aan bij het arrest van het HvJEU van 17 september 2020 (ECLI:EU:C:2020:724) en voldoet aan EU-rechtelijke vereisten.
Echter, de bewezenverklaring van het hof bevatte niet het bestanddeel dat de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat het inreisverbod tegen hem was uitgevaardigd. Daarom heeft de Hoge Raad het arrest vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting.
De uitspraak bevestigt de strafrechtelijke regeling van gekwalificeerd illegaal verblijf in Nederland en verduidelijkt de verhouding tot de terugkeerrichtlijn en het EU-recht.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onjuiste bewezenverklaring en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.