ECLI:NL:HR:2020:1933
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een belastingaanslag op personenauto’s en motorrijwielen. Het hof had de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, maar belanghebbende vond deze onvoldoende.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld over de redelijke termijn in samenhang met eerdere arresten, en dat de vergoeding voor immateriële schade moet worden verhoogd tot €3.000. De overige klachten werden niet gegrond verklaard omdat beantwoording daarvan niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de hoogte van de schadevergoeding betreft en veroordeelde de Staat tot betaling van de verhoogde vergoeding, inclusief griffierecht en proceskosten. Tevens werd bepaald dat wettelijke rente gaat lopen indien betaling niet tijdig plaatsvindt.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €3.000 en veroordeelt de Staat in proceskosten.