Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan brandstichting van een personenauto op de oprit van het huis van de benadeelde partij.
Het hof kende aan de benadeelde partij een immateriële schadevergoeding toe wegens psychische gevolgen van het incident, zonder echter de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde concreet vast te stellen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het enkele feit dat het verzoek tot schadevergoeding niet werd weersproken niet volstaat.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden naar zeven maanden en twee weken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing over de immateriële schadevergoeding, wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor strafoplegging en immateriële schadevergoeding, vermindert de straf en verwijst de zaak terug.