ECLI:NL:HR:2020:1959

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 december 2020
Publicatiedatum
4 december 2020
Zaaknummer
19/02082
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 287 SrArt. 141 SrArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering jeugddetentie wegens overschrijding redelijke termijn bij poging doodslag en geweldpleging

De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen. Het gerechtshof Amsterdam legde een jeugddetentie van 240 dagen op, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de strafduur wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de motiveringsklacht over medeplegen niet tot vernietiging leidt en dat het niet nodig is deze te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.

Omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn overschreden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 240 naar 226 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voor het overige werd het beroep verworpen.

Uitkomst: De jeugddetentie wordt verminderd van 240 naar 226 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02082 J
Datum8 december 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 april 2019, nummer 23-001342-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde straf van jeugddetentie betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 240 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;
- vermindert deze in die zin dat deze 226 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 december 2020.