Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor het onder zich hebben van beschermde inheemse vogels die niet waren voorzien van de juiste pootring, in strijd met art. 13.1 van de Flora- en faunawet.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder bewijsuitsluiting wegens niet-tijdige legitimatie van verbalisanten, twijfel over het ontbreken van de juiste pootring en de mogelijke herkomst van de vogels uit België. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, en uitgesproken op 28 januari 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd.