Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
8 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die op 2 oktober 2018 te Leiden werd aangehouden wegens het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van hennep en/of hasj, en medeplichtigheid aan het opzettelijk verstrekken daarvan. De politie trof bij de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid hennep en hasj aan, evenals contant geld en mobiele telefoons. Tijdens de staandehouding rook de verbalisant een sterke hennepgeur rondom de verdachte en stelde vragen over het bezit van softdrugs, zonder vooraf de cautie te geven.
Het hof oordeelde dat op het moment van de vragen geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, zodat de cautie niet verplicht was. De verdachte opende vrijwillig de buddyseat van zijn scooter waarna de drugs werden aangetroffen. De verdachte voerde bewijsuitsluiting aan vanwege het ontbreken van de cautie, maar het hof verwierp dit verweer omdat de vragen niet als verhoor in de zin van art. 29 Sv Pro werden gezien.
De Hoge Raad stelt dat het hof dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk heeft gemotiveerd, gelet op de sterke hennepgeur die een redelijk vermoeden van schuld kan rechtvaardigen. Desondanks leidt dit niet tot cassatie omdat de verklaring van de verdachte niet doorslaggevend was voor de bewezenverklaring. Ook het argument dat de cautie vereist zou zijn geweest voorafgaand aan het vragen om de buddyseat te openen, wordt verworpen omdat die vraag niet als een verhoorvraag geldt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat het bewijs niet uitgesloten hoeft te worden ondanks het ontbreken van de cautie op het moment van de eerste vragen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt bewezenverklaring en veroordeling wegens hennepvervoer en medeplichtigheid.