Uitspraak
gevestigd te Den Haag,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: [verweerster 1],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
11 december 2020.
Hoge Raad
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen Van Noort Gassler & Co. B.V. en [verweerster 1] over de betaling van maandtermijnen uit hoofde van een koopovereenkomst van een cliëntenportefeuille. Van Noort Gassler stelde dat haar betalingsverplichtingen waren komen te vervallen door verrekening met een vordering die zij van Adsebu-nieuw had verkregen via cessie. Later werd deze vordering echter retrocederend aan Adsebu-nieuw teruggegeven.
De rechtbank had het beroep op verrekening afgewezen en Van Noort Gassler veroordeeld tot betaling van de achterstallige termijnen. Het hof vernietigde dit vonnis deels en oordeelde dat Van Noort Gassler niet langer bevoegd was tot verrekening omdat de vordering inmiddels aan Adsebu-nieuw toebehoorde. De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door de bevoegdheid tot verrekening te beoordelen op het moment van het arrest en niet op het moment van de verrekeningsverklaring. Tevens heeft het hof onvoldoende aandacht besteed aan de toepassing van art. 6:136 BW Pro.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling. De kosten van het cassatiegeding worden aan [verweerster 1] en [verweerder 2] opgelegd. Het arrest is gewezen door raadsheren Snijders, Lock en ter Heide en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Kroeze.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.