Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
15 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld met de dood van een politieagent tot gevolg, en medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweld.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer of het proces-verbaal in hoger beroep op juiste wijze was vastgesteld en ondertekend, en of het vuurwapengeweld met het oogmerk van artikel 325.1 BES was gepleegd. Tevens werd het verweer van vrijwillige terugtred bij medeplegen van voorbereiding van diefstal onderzocht.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 14 jaar met 7 maanden tot 13 jaar en 5 maanden.
De overige klachten van de verdachte werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling betroffen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 15 december 2020.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 13 jaar en 5 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.