Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
15 december 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak betreffende medeplegen van oplichting door een valselijk opgemaakte aanvraag kinderopvangtoeslag en medeplegen van gewoontewitwassen.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoud van het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met vijf maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het hofarrest behalve voor de strafduur.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot vier maanden en drie weken, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.